works      Curriculum    Contact             

Cécile van Hanja


 

NEWS/AGENDA

December 2015
Nominated for the Vishal Art Prize 2015

ARTIST STATEMENT

In urban environments we are inundated daily with information and hectic impressions. I seek a balance between this outer city life and my private world. In my studio I create the tranquility I need to be in direct contact with myself. Studio space is a recurring motif in my oeuvre, painting.

It is a starting point and workplace ,all at once: the occasion, site ,and dimension of my investigestions. When I am working on a project I go out into urban spaces, photograph architecture, and then I transform those images into paintings, altering color, light and atmosphere. My large paintings show architectural spaces where corridors, rooms, or staircases seem familiar, but cannot be placed in a specific site or certain time.

I leave the spaces remarkably empty so that it seems all context has been erased. The images are filled with emptiness. I am fascinated  by the airless and lifeless neutrality of so many contemporary man-made spaces like empty airports, lobbies, and hotel rooms. Empty rooms, like those in office buildings, are biological homes  for a while and then we leave them. These anonymous environments generate suspense-the feeling that behind every door, around every corner, a possible threat awaits.

Originally, I explored the habitat of these temporary homes, rendering the private world visible and accessible to outsiders. Recently , I have moved from the inside world to the façades, emphasizing architecture as a sort of alienation between people in our modern society, a society in which people do not know neighbors, in which the architecture creates a sort of loneliness, a poverty of contact between people. My work thus asks people to consider the politics of buildings and the responsibility of architects in creating  these economic spaces.

Cécile van Hanja

_____________________________________________

About the work:

The lines along the road

Who doesn’t remember from their childhood those self-imposed assignments, for instance to only step on the paving stones themselves and not on the joints between them, or to cover a given distance within a predetermined number of steps? As a child you are cycling down a road along a row of trees, and from any given tree you have to reach the next one in exactly eight pedal turns – that kind of things. At first you have to try really hard, but soon it becomes a natural thing. You go from tree to tree in a regular rhythm, thinking about other things or even daydreaming as you go. If you have acquired such sense of rhythm in your childhood, you never loose it. You are driving a car at night and put on some very rhythmical music, a minimalist piece by Philip Glass for instance, and experience how you pass the streetlights in exactly the same rhythm as the music. It is such thoughts that Cécile van Hanja’s paintings can evoke. Her images of modern architecture are based on a rhythmical pattern of verticals and horizontals serving as a self-imposed framework for her creative compositions.

In one of her paintings it seems as if she has ‘zoomed in’ on the façade of a modern office building. The outlines are not visible. We see an articulation of windows and wall sections. The regular rhythm of horizontals and verticals, which looks like it could go on endlessly, has a comforting and meditative effect. They are like staffs and bars between which a melody might form. In this case, it is the sky sections reflected in the windows, like transparent, blue-grey strips passing briefly, alternately rising and subsiding, that form the melody.

One of the most striking characteristics of Cécile van Hanja’s paintings is their transparent, layered structure. Thin layers of acrylic paint allow the colours underneath to shine through. It is not until the third or fourth layer that oil paint is added. The first, most irregularly painted layer remains visible in several areas. A fine example is presented by a second painting of a façade, in this case featuring an entrance area. It is precisely because of the thin, transparent painting which leaves underlying layers of colours visible, that it does not become a static image of impenetrable walls.

It seems as if the façade consists of parts that come forward and recede. The large window sections in between may reveal something of the interior, in vibrating neon light.
If we enter we may easily get lost. And there is no one to give us directions. The interiors may evoke confusion in an Escher-like way. Where is inside, where is outside? Walls are transparent or reflect an opposite wall. Staircases and banisters offer little to go by. We are no longer on solid ground. We get confused by the perspective lines and vanishing points, like rational benchmarks leading us to an irrational and intuitive way of thinking. We are forced to only experience, accept a given space, without being able to reason it out.

Sometimes we may recognize an architectural milestone, such as the German pavilion in Barcelona, designed by Ludwig Mies van der Rohe in 1929. The actual building, constructed from precious materials such as onyx, travertine and marble, seems to be just the occasion for this almost immaterial composition in various watery shades of blue and grey. Usually, however, her work is not about known architecture but about anonymous office buildings.

And then there are cityscapes. We see a big city by night. The buildings look like pieces of scenery, set out for the next performance - but there is not an actor in sight. Unnatural neon light in indefinable, fluorescent colours makes the buildings stand out against the deep-dark sky like ghostly apparitions. Windows are like black holes or are bathing in a poisonous yellowish green light. We find ourselves in an environment of unimaginative blocks and draughty squares where we want to leave as soon as possible. Still, the works do not contain an indictment, for beauty can be found everywhere. It is the painterly beauty formed by colour balance, rhythm and composition. Planes and lines lead you deep into possible vistas, like markings along the road.

Aernout Hagen, author and art historian, working and living in Amsterdam.

_______________________________________________

OMTRENT HET HERBERGZAAM MAKEN VAN HET BESTAAN
Daan Van Speybroeck

Hoe komt het toch dat de schilderijen van Cécile van Hanja de indruk wekken dat er iets binnenstebuiten wordt gekeerd, soms zo sterk dat ze het als het ware zelf lijken te zijn? Waar het steeds om herkenbare ruimtes gaat, nu eens van binnen en dan van buiten getoond – de twee af en toe in elkaar overlopend –, maken de bijzondere, onverwachte kleuren dat er vervreemding optreedt. Zorgen deze laatste juist voor een aantrekkelijkheid van de doeken, te fris, te uitgesproken, te heftig als ze zijn, schieten ze aan de realiteit voorbij. En dergelijk aantrekken en tegelijk opwerpen van een drempel, brengt een vruchtbare spanning in het werk. Daarenboven vangt het intensieve en subtiele lijnenspel onze aandacht, het neemt ons mee, maar ook hier sluit het ons tegelijk buiten.

En de vaak voorkomende transparantie – zowel in de wijze van schilderen als in de gesuggereerde glazen wanden van de gebouwen en de ruimtes – confronteert ons er des te heftiger mee. Met dit alles botsen we steeds tegen de monumentale eigentijdse gebouwen, zoals gezegd van buitenaf of van binnenuit te zien en geïsoleerd uit hun grootstedelijke omgeving. Deze ervaring van niet meer te weten waar we staan, van hoe we het hebben, die ons als kijker overkomt, wordt pertinenter door het ons in ons eentje voor de doeken te bevinden en er zo mee geconfronteerd te worden. Want verder is er nooit iemand op het schilderij te zien: iemand die ons een houvast, een referentiepunt of een ankerplek zou kunnen bieden, kortom om ons van enige steun en toeverlaat te zijn.
Is het dan ook dat alles samen niet, de herkenbare ruimte samen met haar ongenaakbaarheid als een vervreemdende beleving, dat de ervaring van een binnenstebuiten gekeerde wereld oproept?

Op het gevaar af te psychologiseren, werkt het verhelderend de kinderjaren van Cécile van Hanja hierbij te betrekken, eraan te refereren. Geboren in Bastia, op Corsica, woont ze een tijd in Monaco tot ze daar in 1972 vertrekt, naar een land waar alles anders is: Nederland. Zelf spreekt ze in dit verband van een ‘verloren territorium; mijn vaderland’. Dit anders zijn raakt onontwarbaar verstrengeld met de herinnering aan deze breuk; meer zelfs, het is in de loop der jaren, hoe dan ook, het haar eigene is geworden, en is aldus, gaandeweg, mede constituerend geweest voor de persoon die ze thans is en voor haar kunstenaarschap. En leven is voor Cécile van Hanja een zich bewegen op dergelijk breukvlak, is een zoeken naar een geëigende omgang met dergelijke dubbelheid. Daarin schuilt de drijvende kracht voor en van haar kunst; het is een soort onontkoombare drang, in haar kunst vorm gegeven.

Had zij het zelf niet over haar vaderland? Haar oeuvre lijkt een uitval naar voren: het zoeken, ja bewerkstelligen van een verhevigde confrontatie met, bijna een schreeuw om wat voor haar verloren is gegaan. En dit moet zoniet zijn uitdrukking krijgen, dan toch zijn aanknopingspunt vinden in een wereld van mannen: van architectuur, min of meer verzakelijkt en strak, objectiverend, vooral van de buitenkant gezien. En zelfs waar het om binnenruimtes gaat, blijft de strakke architectuur domineren en lijkt er nauwelijks beschutting te worden geboden. Ongenaakbaar dus en tevens heel desolaat. Intussen zijn het de bijzondere kleuren, ongewoon, vief, helder en heftig, die op een sterk verlangen duiden, die iets willen forceren, die de koele en verstrakte wereld warmte trachten te geven. Maar die machteloos staan daar waar het het verlorene betreft, zonder daarom, in een voortdurend poging het verlangen ernaar levend te houden en van betekenis te laten zijn, het op te geven of ervan af te zien. Kortom een voortdurend pogen tot het creëren van herbergzaamheid – deze van het verloren, mythisch geworden vaderland. Van de intimiteit van een ‘moederland’, waarmee we landelijke gebouwen, dicht bij de natuur en naar nostalgie neigend, associëren, is hier geen spoor. Dit zou als een valse noot klinken. Neen, het zijn de fabelachtige kleuren, de wereld binnenstebuiten kerend, die zich doen gelden als de remedie voor een veelbetekenende omgang met het fatum, het eigen lot.

Daan Van Speybroeck , kunstfilosoof en kunstcoördinator Radboud Universiteit en UMC st. Radboud.

 

 


Kleijn Webdesign copyright 2008